Schouderpijn vaak veroorzaakt door myofasciale triggerpoints

Geplaatst op: 16-01-2012


In april 2011 is fysiotherapeut en manueel therapeut Carel Bron aan de Radboud Universiteit Nijmegen gepromoveerd op een onderzoek naar myofasciale triggerpoints bij schouderpijn. In zijn promotieonderzoek ontdekte Bron dat myofasciale triggerpoints in schouderspieren een belangrijke verklaring bieden voor het ontstaan en voortbestaan van schouderpijn.

Schouderpijn is, na lage-rugpijn en nekpijn, de meest voorkomende klacht van het musculoskeletale (spier/skelet) systeem. Schattingen van de prevalentie van schouderpijn variëren tussen de 20-50% van de bevolking per jaar. Vaak werd er bij schouderklachten gedacht aan bijvoorbeeld inklemming van de slijmbeurs en scheuren in pezen. Naar verandering in het spierweefsel werd tot voor kort weinig gekeken. Vanaf 2008 bleek de ontwikkeling van de medische beeldvorming technieken echter zo ver gevorderd dat triggerpoints zichtbaar gemaakt konden worden.

 

Onderzoek
Fysiotherapeut Bron bereikte met behandeling van triggerpoints positieve effecten bij schouderklachten. Dat was een reden om daar verder onderzoek naar te doen. Inmiddels is bekend dat bij overbelasting van spierweefsel biochemische veranderingen ontstaan als gevolg van lokaal verminderde doorbloeding (ischemie) en zuurstof (hypoxie). Die veranderingen leiden tot een toegenomen en aanhoudende samentrekking van delen van de spier. Daarnaast komen pijngerelateerde stoffen vrij. Uiteindelijk ontstaat een zichzelf in stand houdende situatie, met triggerpoints als gevolg.

Bron onderzocht 65 patiënten met chronische, enkelzijdige, niet-traumatische schouderpijn. De controlegroep kreeg een afwachtend beleid. De interventiegroep werd gedurende drie maanden één keer per week behandeld met drukpuntmassage en rekken van de spier. Daarnaast deden zij thuis spierrekking- en ontspanningsoefeningen en kregen zij houdingsadviezen en ergonomische adviezen.

Na twaalf weken bleek het gemiddelde aantal spieren met triggerpoints te zijn afgenomen in de interventiegroep, terwijl in de controlegroep sprake was van een toename. In de interventiegroep gaf 55% een verbetering aan, tegenover 14% in de controlegroep. Voor het volledige artikel, klik hier

Bron: FysioPraxis – vakblad voor de Fysiotherapeut, jaargang 20, nummer 12, december 2011